Startpagina
Vorige         Volgende
Overzicht

Ooievaar

Meestal nabij boerderijen met weilanden; fourageert vaak in natte weilanden en uiterwaarden.
De oorspronkelijk in Nederland broedende ooievaars waren trekvogels, die van maart tot in september in ons land verbleven. Ze leefden vooral van muizen, regenwormen en grote insekten. De ooievaars uit het westen des lands overwinterden in de savanne van West-Afrika, die uit de noordelijke landsdelen vooral in Oostelijk Afrika, van Kenya tot in Zuid-Afrika.
Dat er nog steeds ooievaars in Nederland zijn, is onder andere te danken aan vrijwilligers.  Broedparen worden uitgezet door de vrijwillegers en de jongen die de ooievaars krijgen worden volledig in vrijheid gelaten. Vrijwel al deze jongen gaan in de nazomer op trek naar het zuiden.  Dat betekent, dat de vogels zelf hun voedsel dienen te vergaren. Landschappen met een afwisseling van natte en droge gronden en veel, extensief gebruikt grasland komen hiervoor het meest in aanmerking.  Het 'loslaten' van de soort betekent ook, dat steeds meer ooievaars hun oude trekroutes naar Afrika weer op zullen pakken. Bescherming van de Nederlandse ooievaars betekent daarom ook, dat de trekweg en het overwinteringsgebied aandacht behoeven, en dat misstanden als jacht, het verdwijnen van leefgebieden en de vele slachtoffers van elektriciteitsleidingen door Vogelbescherming.