Startpagina
Vorige        Volgende
Overzicht

De in Europa levende dieren zijn kruisingen tussen minstens vier ondersoorten, afkomstig uit gebieden die zich uitstrekken van de Kaukasus via China tot in Japan. Er zijn hanen met een zwarte hals, naast ringfazanten met een witte halsring, isabelkleurige witvleugel-fazanten naast zeer donkere tenebrosusfazanten; exemplaren met een goudkleurige buik uit de Kaukasus naast olijfgroene uit China; grote en winterharde dieren uit MongoliŽ naast bronskleurige en blauwe uit Japan. Hierdoor lijkt welhaast geen fazantenhaan op de andere, en zijn ze allemaal individueel te herkennen.
De hanen hebben een uit achttien pennen bestaande staart met enkele opvallend grote veren, om in de baltstijd mee te pronken. De naakte huid van kop en hals zwelt dan op en vormt felrode hanenkammen, lellen en "rozen". Aan de achterzijde van de kop heeft de haan twee pluimen en aan zijn poten sporen. Bij jonge hanen zijn deze klein, bij overjarige soms vervaarlijk groot. Hennen hebben de -tijdens het broeden zo belangrijke - bruine schutkleur.
De aanwezigheid van fazanten hangt nauw samen met de aanwezigheid van dekking, rust, voedsel en vooral water. De fazant is een standvogel van half open en besloten landschappen. Verruigde terreinen en grienden vormen een ideale leefomgeving. In landbouwgebieden met enige variatie en dekking komen ook redelijke dichtheden voor. De fazant heeft een zeer brede verspreiding en is in Nederland een talrijke broedvogel. Alleen in uitgestrekte graslandgebieden en droge zandgronden komt bij weinig of niet voor.